In opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onderzochten wij hoe partijen in de praktijk omgaan met het ontwikkelen van wind-op-land. Welke strategieën volgen zij om met conflicten en tegenstellingen om te gaan? Wij hebben dit onderzoek vormgegeven door samen met betrokkenen reconstructies te maken van de besluitvorming over lokale windparken. De conclusies die wij trekken zijn bruikbaar voor overheden en ontwikkelaars die duurzame energieprojecten willen realiseren. 

Aanleiding

In september 2013 sloten meer dan 40 overheden en organisaties het Energieakkoord voor duurzame groei. Gezamenlijk ambiëren zij de verduurzaming van onze samenleving en economie. Dat willen zij ondermeer bereiken door het bouwen van windmolens om het aandeel hernieuwbare energieopwekking te vergroten. Dat is hard nodig want Nederland dreigt de internationale klimaatdoelstellingen niet te halen.

Ondanks dat veel partijen het akkoord hebben ondertekend, loopt de ontwikkeling van windparken op land niet overal even soepel. De stap van een globaal nationaal akkoord naar werkelijke lokale realisatie stuit op lokale belangenconflicten. Bijvoorbeeld met omwonenden die in windparken een aantasting van hun leefomgeving zien. Of natuurorganisaties die vrezen voor verstoring van het ecosysteem. Maar we zien niet alleen weerstand tegen plannen. Vaker nog zijn er conflicten en onenigheid tussen overheden onderling en met bedrijven die de windparken proberen te realiseren.

Hoge kosten conflicten wind-op-land

Behalve dat deze conflicten een vertraging betekenen voor het realiseren van de duurzame energie-doelstellingen, leiden zij veelal tot langdurige juridische procedures en strijd in de politieke- en publieke arena. De kosten daarvan zijn hoog. Niet alleen in termen van geld, maar ook door het verlies aan vertrouwen dat partijen in elkaar hebben. Overheden kunnen in een onderlinge strijd verwikkeld raken of ontwikkelaars verliezen hun legitimiteit. Soms is sprake van agressie door omwonenden. Deze geëscaleerde situaties kennen uitsluitend verliezers en de maatschappelijke schade is aanzienlijk omdat hiermee geen enkel belang wordt gediend. 

Positieve voorbeelden

Toch zijn er lokatie in Nederland waar wel windmolenparken verschijnen. Daar slagen de initiatiefnemers, omwonenden en overheden er in om – ondanks de onderlinge tegenstellingen – in gezamenlijkheid een geaccepteerd plan te ontwikkelen. Met het oog op het toenemende ruimtebeslag van duurzame energieopwekking is dat een positieve ontwikkeling. Het realiseren van wind-op-land is immers geen eenvoudige opgave. Enerzijds legt het een nieuwe claim op de schaarse ruimte en anderzijds zoeken ambtenaren en gemeenteraden naar hun publieke rol in een domein met uitsluitend private ontwikkelaars.

Relevantie

Het onderzoeken van de besluitvorming over wind-op-land projecten is om een aantal redenen relevant. Ten eerste is duurzame energie een uitvloeisel van het internationale klimaatbeleid. De druk om te investeren in hernieuwbare energiebronnen neemt de komende jaren alleen maar toe. Ten tweede komt een aantal kenmerken van de ruimtelijke procedures voor windparken straks terecht in de Omgevingswet. We kunnen daar nu al van leren. Ten derde wordt participatie een criterium voor de kwaliteit van bestuur in het nieuwe omgevingsrecht. Deze praktijkstudie geeft inzicht in welke vorm van participatie bij welke situatie past. Tenslotte vraagt de grote betrokkenheid van particuliere ontwikkelaars bij het maatschappelijke vraagstuk van duurzame energie om een andere rol voor alle partijen. Er bestaat geen publieke uitvoeringsorganisatie voor de hernieuwbare energie-infrastructuur, zoals dat bij de meer traditionele weg- en waterbouw wel het geval is. Dat vraagt om vakmanschap bij particuliere ontwikkelaars en overheden dat op zijn minst aan verandering onderhevig is of zelfs nog ontwikkeld moet worden. Dit onderzoek biedt inzichten die daarbij kunnen worden gebruikt.


Naar het overzicht